Hij hangt op de bar, waar een wit pilsje staat. Hij bevindt zich in de sportkantine van de Wethouder Verheijhal. Af en toe neemt hij een slokje van zijn bier om vervolgens weer voor zich uit te staren. Een bos donkere, ietwat grijze haren siert zijn hoofd. Hij heeft een stoppelbaard.
Hij werpt een blik door de kantine. Er staan tafels met stoelen waar sporters een drankje gebruiken. Voornamelijk bier. Hier en daar drinkt de BOB fris. De ogen van de man zijn klein, zijn wangen hangen iets naar beneden. Zijn lippen zijn op elkaar gedrukt. Door de kantine heen kijkt hij naar een volleybalwedstrijd, die in de hal bezig is.
Het bierflesje houdt hij ondersteboven boven zijn glas. Er komt alleen maar schuim uit. Hij neemt een slok, kijkt de barman aan en wijst met zijn vinger naar het lege flesje.
De barman zet een nieuw flesje neer en haalt het oude weg. “Gewonnen?”, vraagt hij. De hand van de wat oudere man schiet omhoog. “We speelden fantastisch!” De barman lacht: “Goed zo.” De man neemt een slok, zet zijn glas neer en tikt met zijn rechterhand op de bar. Vinger voor vinger. Hij kijkt weer de zaal in. Je hoort hem denken: was het maar waar.
| < Vorige | Volgende > |
|---|








