
Het Tropenmuseum is met Wikimedia een samenwerking aangegaan waarbij vooral mondelinge informatie aan de marrontentoonstelling wordt toegevoegd door de internetgemeenschap. Meer dan zevenhonderd voorwerpen en meer dan 80 uur filmmateriaal die de expositie vormen getuigen van de schoonheid, inventiviteit, weerbaarheid en cultuur van de zes Surinaamse marronvolkeren. Na de watersnood in de Surinaamse binnenlanden van 2006 werd het de hoogste tijd de culturen van de bosnegers in kaart te brengen. Na het Tropenmuseum krijgt de verzameling een duurzame component door middel van twee zogenoemde cultuurhuizen in Suriname. Klik hier voor alle foto's.
Bijna alleen mannen
Het was een gevaarlijke onderneming om te ontsnappen aan de slavenhouders, hetgeen velen met de dood moesten bekopen. Vrouwen hadden doorgaans sterke banden met hun kinderen en de familieleden waar ze voor zorgden, zodat zij achterbleven op de plantages. Het waren de ongebonden mannen die het avontuur aangingen. De vlucht begon met een zogenoemde kleine marronage, waarbij men zich niet al te ver van de plantage in de bossen verschool. Vaak gingen ontsnapte slaven zelfs ‘s nachts terug naar hun vrouw om van een maaltijd te genieten. Het is dan niet zo verbazingwekkend dat ze na een tijd weer terugkeerden in slavernij. Bij een grote marronage zochten de marrons hun toevlucht diep in de bossen, waar zij nederzettingen stichtten en kostgronden hadden. Als een dorp ontdekt werd door de slavenjagers, werd het vaak vernietigd. De marrons bouwden betrekkelijk eenvoudig een nieuwe nederzetting, want de bossen zijn ruim voorzien van materiaal. Een ander verhaal was de vernietiging van kostgronden, want dat kon tot hongersnood leiden.
Aanvallen
Aangezien de marrongemeenschappen voor 90 procent uit mannen bestond, was nieuw bloed nodig. Daarom vielen de ontsnapte slaven plantages aan om vrouwen te scoren en de slavernij te bestrijden. De planters hadden veel te duchten van de marrons, wat leidde tot vredesovereenkomsten. In ruil voor wapens, werktuigen en textiel bleven de marrons weg. Soms gingen zij zo ver, dat ze nieuw ontsnapte slaven uitleverden aan de slavenhouders. Op ontsnapping stond de doodstraf. Hoewel de blanke overheersers niet zo’n hoge pet ophadden van het ontwikkelingsniveau van de marrons, bleken deze erg goed op de hoogte te zijn van overeenkomsten tussen andere marrons en plantagehouders. Ze kenden de teksten integraal uit het hoofd en veel marrons werden bij naam gekend.
Mondelinge traditie
De meeste kennis van de marronculturen is uit mondelinge overlevering. Pas in een vrij laat stadium (achttiende eeuw) ontvingen de bosnegerkinderen scholing. In eerste instantie kwamen de hernhutters, Duitse zendelingen, om les te geven. Later volgden zendelingen van de hervormde, gereformeerde en lutherse kerk en tenslotte na 1920 de katholieke missie. De hernhutters hadden zelf amper enkele jaren lagere school genoten, dus veel konden de kinderen niet van hen leren. Het meest leerden de kinderen van de marrongemeenschap, zoals praktische vaardigheden en overleven in het bos. Akkerbouw, bosbouw, visserij, jacht, dier- en plantkunde, voedselbereiding, houtbewerking, de rivier bevaren, kruidengeneeskunde, muziek, dans, vertelkunst enzovoort. Er was ook kennis die de eerste generatie marrons voor zichzelf hield en niet doorgaf aan toekomstige generaties. Ook door gebrek aan geschiedschrijving is deze kennis verloren gegaan. De kennis van de slavenhouders en blanke administrateurs was zeer gering. Zij verstonden niets van de liederen die de slaven zongen. Lang nadat de slaven Mi a go we! zongen en zij verstopt in de bossen zaten, begrepen hun ‘eigenaren’ dat zij toch echt met ‘Ik ga weg’ hun vlucht aangekondigd hadden.
Op goud zitten
Suriname is rijk aan delfstoffen, zoals bauxiet en goud, maar ook aan de beste kwaliteit tropische hardhoutsoorten. Door overstromingen, zoals het onderlopen van het Brokopondomeer en de watersnood van 2006, is het hout zodanig verdicht, dat het onverwoestbaar is geworden. In de tentoonstelling zijn prachtige onderwaterbeelden te zien. De marrons zijn in grote getalen goud gaan delven, maar wel op kleinschalige wijze. Dit is helaas een zeer milieuvervuilende manier, omdat het kwik in de rivier terecht komt en het ecosysteem aantast. Het beroep van gouddelver is heel onzeker. Het vraagt veel investeringen en de opbrengst is onbekend. Behalve degenen die in de gouddelving en aanverwante zaken zoals prostitutie werkzaam zijn, zijn veel marrons - vooral vrouwen - naar Paramaribo getrokken. Zij hebben vaak een kleine onderneming, bijvoorbeeld door textiel en huisraad op de markt te verkopen. Hun kinderen kunnen in de grote stad een goede (vervolg)opleiding volgen.
Uiteraard is er heel veel meer te vernemen over de marroncultuur in het Tropenmuseum.Tot en met 9 mei 2010 kan men de tentoonstelling bezoeken. Vergeet dan niet uw eigen mondelinge traditie kenbaar te maken via Wikimedia Commons, u kunt de 2100 wikipedia onderwerpen die het museum heeft aangeleverd naar hartelust verbeteren en aanvullen. De computers staan er klaar voor!
| < Vorige | Volgende > |
|---|








